Zomerwoud - een verhaal uit de midden-steentijd

De steentijd

​​
Het verhaal van Alja en Erkin speelt zich zo'n 7000 jaar geleden af. Deze periode wordt de midden-steentijd of het mesolithicum genoemd. Maar eigenlijk begint hier ook de nieuwe steentijd (neolithicum). Het is net op de overgang.

 

Zoals de naam al zegt, was de belangrijkste grondstof in deze tijd steen, en dan met name vuursteen. Hiervan werden eigenlijk bijna alle gereedschappen gemaakt. Bijlen, messen, pijlpunten en boortjes bijvoorbeeld. Iets harders of scherpers was er nog niet. Maar bot of gewei waren ook goede, stevige materialen om werktuigen van te maken, vooral bijlen en hamers. Ook van hout werd vanalles gemaakt. Kommen, bekers, maar natuurlijk ook bogen, pijlen of bijlstelen. Leer werd onder andere gebruikt voor kleding.

De jager-verzamelaars

​​
Mensen zoals jij en ik lopen al zo'n 40.000 jaar in Europa rond. En tot in de nieuwe steentijd, 7000 jaar geleden dus, leefden de mensen als jager-verzamelaars. Dat betekent dat ze nooit lang op een plek bleven wonen, maar ergens in een bos of langs een rivier een klein kampje opsloegen. Rond het kamp verzamelden ze dan voedsel als noten, vruchten, paddenstoelen en wortels, en jaagden ze op dieren als everzwijnen, vogels en herten. Als er water in de buurt was, werd er ook gevist. Maar zodra rond het kamp niets meer te vinden of te jagen was, trokken ze verder. Zo ging dat het hele jaar door.

 

De jager-verzamelaars zochten hun vuursteen dicht bij het kamp. Op de oevers van rivieren bijvoorbeeld waren altijd wel kleine keitjes te vinden. Hun werktuigen waren dus vrij klein. Dat losten ze soms op door een rijtje kleine vuursteentjes naast elkaar te zetten, zodat er toch bijvoorbeeld een lang mes kon ontstaan.

 

Alja en haar stam zijn jager-verzamelaars.

De eerste boeren

​​
Ongeveer 7000 jaar geleden kwamen er heel andere mensen in onze streken wonen. Ze kwamen uit het oosten van Europa, waar nu landen als Bulgarije en Servië liggen. Ze gingen op hoge vruchtbare gronden wonen, het liefst in de buurt van water. Ze kapten stukken bos om daar akkers en erven aan te leggen. Met het hout bouwden ze grote huizen. Ze brachten koeien en schapen mee. Het waren echte boeren, die niet meer rondtrokken zoals de jager-verzamelaars, maar juist op één plek bleven wonen. Hun cultuur wordt de Lineaire Bandkeramiek (LBK) genoemd.

 

De boeren gebruikten grotere werktuigen dan de jager-verzamelaars. Maar met de kleine rivierkeitjes konden ze die niet maken. Het vuursteen werd daarom van verder weg gehaald. Uit België bijvoorbeeld. Andere soorten steen kwamen onder andere uit Duitsland. 

 

Ook hadden de boeren aardewerk. De jager-verzamelaars kenden of maakten dit niet, hun servies bestond uit hout. Het grote voordeel hiervan was natuurlijk dat je gemakkelijk op een vuur kon koken. Dat is met hout wat moeilijk!

 

Erkin en zijn familie zijn boeren.

En toen?

 

De jager-verzamelaars en de boeren moeten elkaar tegengekomen zijn. Maar eigenlijk is het niet bekend of ze elkaar vaak ontmoetten. Soms vinden archeologen wat aardewerk of pijlpunten uit de boerendorpen in een mesolithisch kamp. Maar meer bewijs is er niet. Wel is bekend dat in de loop van de tijd alle jager-verzamelaars boer werden. Soms namen ze het boerenbestaan over, om na een tijdje toch weer te gaan jagen en verzamelen. Soms namen ze alleen het maken van aardewerk over, niet de akkers en het vee. Toch gaven ze uiteindelijk allemaal hun zwerversbestaan op. Hoe zou dat gebeurd kunnen zijn? Daarover gaat Zomerwoud!

    / © 2020 Linda Dielemans

    • Instagram - Black Circle